Waarom je niet elke deskundige of therapeut moet vertrouwen? De illusie van kennis en deskundigheid

'De grootste vijand van kennis in niet onwetendheid, het is de illusie van kennis.' Stephen Hawking

Een grappige wetenswaardigheid over de medische wereld: tot omstreeks 1900 kon je maar beter níet naar de dokter gaan omdat deze jouw toestand waarschijnlijk alleen maar verslechterde. Dat had je vast niet verwacht. De verklaring is simpel. Dokters maakten hun patiënten zieker vanwege hun onwetendheid over hygiëne. Louis Pasteur had toen nog niet ontdekt dat bacillen de grootste ziekteveroorzakers zijn en dokters behandelden hun cliënten daarom met dezelfde ongewassen instrumenten waarmee ze al hun cliënten behandelden. Dat is de snelste manier om iemand te infecteren en ziek te maken.

Grappig genoeg kreeg homeopathie hierdoor juist een goede naam. Als je het niet wist: homeopathische medicijnen zijn perfecte placebo’s. Het actieve ingrediënt is dusdanig verdund dat er geen enkele werkzame stof meer in het middel zit: onderzoek laat dan ook overtuigend zien dat deze ‘medicijnen’ niet beter werken dan een onschuldig suikerpilletje. Dat wat werkzaam is, is niet homeopathie, maar het wonderbaarlijke placebo-effect. Omdat dit nepmedicijn verder niets doet – en dus ook geen nare bijwerkingen heeft – leek het destijds of homeopathische medicijnen superieur waren aan traditionele medicijnen. Je zou best kunnen stellen dat homeopathie inderdaad superieur was, maar je zou vooral kunnen betogen dat dokters van toen én homeopaten (van toen en nu) nepdeskundigen waren. Mensen die een lange jas aandeden om vervolgens met een betekenisvolle blik een medische verklaring uit hun duim te zuigen en een fopbehandeling te starten.

Wij zijn van oudsher gevoelig voor autoriteiten en deskundigen, ook als hun vaardigheden de lading niet dekken. Onderzoek laat zien dat alleen al de aanblik van een witte jas of uniform ons kritische denkvermogen al kan aantasten. Het is behalve amusant ook nuttig om dit deskundigensyndroom eens nader te onderzoeken. Er zijn talloze onderzoeken naar gedaan. Met ontluisterende conclusies.

De illusie de toekomst te kunnen voorspellen
In het boek Expert Political Judgment: How Good Is It? How Can We Know? beschrijft Philip E. Tetlock zijn jarenlange onderzoek (1984-2003) waarin hij 284 politieke en economische experts vroeg specifieke voorspellingen te doen over de nabij toekomst. Bijvoorbeeld over de rente, de prijs van olie, presidentiële verkiezingen, een bepaalde politieke partij. De experts moesten per vraag voorspellen of de situatie hetzelfde bleef, of positief dan wel negatief zou veranderen. (Voorbeeld: de olieprijs blijft hetzelfde/wordt duurder/wordt goedkoper). Ook vroeg hij de experts hoe ze tot hun conclusies kwamen en analyseerde hij achteraf hoe ze reageerden als ze het verkeerd hadden. Hij vergaarde zo’n 80.000 voorspellingen.

De conclusie was pijnlijk. De experts deden het zelfs slechter dan wanneer ze zouden hebben gegokt. Het onderzoek liet nog iets interessants zien: de experts met de meeste kennis deden de slechtste voorspellingen. Dit zijn dus mensen die geraadpleegd worden door overheden en indirect het economische en politieke beleid van onze wereld voorschrijven. Dit is net zo grappig als verontrustend: de aarde wordt gerund door mensen die denken precies te weten wat ze aan het doen zijn, terwijl niks erop wijst dat dit zo is.

Dit onderzoek staat niet op zichzelf. Psycholoog Paul Meehl was benieuwd of getrainde professionals er beter in waren subjectieve beoordelingen te geven over hun studenten dan een simpel algoritme. Dat algoritme was gebaseerd op het combineren van een paar eenvoudige statistische gegevens over de studenten – hoe hard ze studeerden, hun eerdere tentamencijfers, enzovoorts. Het resultaat: het algoritme was veel betrouwbaarder dan het oordeel van de professionals. Dezelfde resultaten behaalde hij met onderzoek naar terugval in criminaliteit en het succes van piloten in opleiding. Inmiddels zijn er meer dan tweehonderd soortgelijke onderzoeken gedaan en in 60% van de gevallen deden de algoritmes het beter dan de expert. Andersom is er geen enkele studie die laat zien dat de experts het beter deden. Dat is wetenschappelijk gezien een belachelijk sterk effect. In de woorden van Meehl: ‘Er is geen enkele controverse in de sociale wetenschappen die met zo’n bulk aan diverse kwalitatieve onderzoeken zo uniform in dezelfde richting wijst als deze.’

Kortom, wanneer het gaat om het voorspellen van de toekomst – iets waar we allemaal behoefte aan hebben – blijken experts het niet beter te doen dan leken. En toch genieten deze experts vaak een enorme status in onze samenleving. Financieel experts, helderzienden, trendwatchers, beleidsmakers, forensisch psychologen en ook therapeuten worden in zekere zin betaald om te gokken en daar een aannemelijk verhaal bij te verzinnen die hun deskundigheid lijkt te waarborgen. Alle onderzoeken laten zien dat deze mensen in werkelijkheid gewoon nattevingerwerk leveren. In een grappige onderzoekserie genaamd The Wall Street Journal Dartboard Contest werd geprobeerd het financiële succes van bedrijven te voorspellen. Hierin bleken geblinddoekte darters, apen en baby’s het net zo goed te doen als de analisten. In een van de experimenten deed circus-chimpansee Lusha het beter dan 94% van alle Russische bankiers.

Denken deze zogenaamde deskundigen nou echt dat ze deskundig zijn of doen ze maar alsof? We kunnen natuurlijk niet in hun hoofd kijken, maar ga er maar vanuit dat dit wel zo is. Als experts zich wetenschappelijk laten testen dan geloven ze waarschijnlijk ook dat ze echt iets te bieden hebben. Hoe komen deze – soms hoogintelligente – mensen nu eigenlijk in zo’n waan? Het antwoord heeft deels te maken met het Dunning-Kruger-effect, een vorm van zelfoverschatting die een omgekeerde relatie laat zien tussen échte kennis en de illusie van kennis. Juist door een grote mate van incompetentie kan iemand blind zijn voor hoe incompetent hij eigenlijk is en denken dat hij juist ontzettend competent is. Dit fenomeen werd in 1999 op de wetenschappelijke kaart gezet door de psychologen Dunning en Kruger. Hoe slechter psychologiestudenten op een test scoorden, hoe meer zij dachten dat dit niet zo was. Het Dunning-Kruger-effect is daarna door andere onderzoekers op tal van gebieden bevestigd.

Psycholoog Brian Dunning concludeerde na zijn onderzoek vol verbazing: ‘Een onwetende geest is juist geen leeg vat, maar eentje die is gevuld met irrelevante of misleidende levenservaringen, theorieën, feiten, intuïties, strategieën, algoritmes. heuristieken, metaforen en gokjes die helaas de look and feel geven van bruikbare en accurate kennis. Eigenaardig is dat in veel gevallen incompetentie mensen niet verward, verbaasd of voorzichtig achterlaat. Sterker nog, de incompetenten hebben vaak een ongerechtvaardigd vertrouwen door iets wat voelt als kennis, maar wat het niet is.’ Deskundigen hebben ironisch genoeg vaak meer last van deze zelfoverschatting. Dat is ook logisch: juist iemand die uitvoerig de geschiedenis heeft bestudeerd, kan onterecht denken dat hij ook de toekomst kan voorspellen.

De illusie het verleden te kennen
Het is de illusie het verleden te kennen, waardoor deskundigen hun vaardigheid om de toekomst te voorspellen overschatten. Dit wordt ook wel de Waan van de Terugblik genoemd. Van deze waan hebben we allemaal last. De verklaringen die wij achteraf het meest overtuigend vinden, zijn namelijk extreem versimpeld, maken kinderlijk onderscheid tussen goed en slecht en geven talent en bedoeling een groter gewicht dan toeval en willekeur. Hierbij focussen wij ons op een paar opmerkelijke momenten en negeren we de ontelbare momenten die minder belangrijk of relevant leken, maar dat wel zijn.

In de woorden van psycholoog Daniel Kahneman: ‘Het idee dat grote historische gebeurtenissen door geluk tot stand komen is schokkend, ondanks dat het makkelijk is aan te tonen. Het is lastig om de 20e eeuw voor te stellen zonder de rol van Hitler, Stalin en Mao Zedong. Maar er was een moment in de tijd, net voordat het eitje werd bevrucht, dat er 50% kans was dat het embryo dat uiteindelijk Hitler zou worden een vrouw zou zijn geweest. Deze drie evenementen tezamen geven één achtste kans op een eeuw zonder de grote schurken, en het is onmogelijk te beargumenteren dat onze geschiedenis hetzelfde zou zijn uitgepakt in hun afwezigheid. De bevruchting van deze drie eitjes had uiteindelijk enorme gevolgen, en het maakt het idee dat langetermijnvoorspellingen mogelijk zouden zijn tot een grap.’

Als het gaat om het weer, de financiële markt, de effecten van therapie, het liefdesleven van twee mensen, dan kun je de uitkomsten nooit van tevoren voorspellen omdat er verschillende factoren meespelen die elkaar beïnvloeden. Het is koffiedik kijken. Het probleem met dit soort langetermijnvoorspellingen is dus dat er geen manier is om er goed in te kunnen worden omdat de toekomst fundamenteel onvoorspelbaar is. (De wetenschappelijke discipline die dat duidelijk maakt wordt chaostheorie genoemd: het laat zien dat kleine verschillen in de begincondities tot totaal verschillende uitkomsten kunnen leiden.) En als iets niet voorspelbaar is, is er dus ook geen directe of accurate feedback die jou kan bijsturen. Hierom kun je wel goed worden in het gooien van dartpijltjes en het besturen van een auto, maar niet in het voorspellen van het weer, een groepsproces of politieke situatie. Door veel dartpijlen te gooien krijg je steevast een betere ooghandcoördinatie waardoor je steeds vaker in de roos gooit, maar op andere gebieden is er soms geen enkele feedback die jou er beter in laat worden. Toch denken heel veel mensen dat zij in de toekomst kunnen kijken.

Uit het onderzoek van Tetlock bleek dat hoe beroemder de expert was, hoe slechter zijn voorspellingen waren. Pure ironie: juist de experts met macht en invloed konden het minst worden vertrouwd. In de praktijk worden deze mensen juist beroemd en invloedrijk omdat ze mediageniek zijn en met flamboyante voorspellingen en verklaringen op de proppen durven komen.

Telkens wanneer ze het een keer bij het juiste eind hebben – iets wat je statistisch gezien kunt verwachten – zullen ze daarover pochen, en zie je dat terug in het nieuws. Als ze het mis hebben – zoals in de meeste gevallen – dan wordt het door zowel henzelf als hun publiek vaak genegeerd of vergeten. Het aantal successen neemt in absolute zin toe, maar in relatieve zin niet. Het probleem is dat de treffers niet worden vergeleken met de keren dat de deskundige het mis had. Door deze denkfout weten ook bekende helderzienden en mediums hun status en roem te vergroten. Ze zetten hun voltreffers met naam en toenaam op hun website, en alle missers niet. Het aura van deskundigheid kan hierdoor ongestoord groeien.

Ook therapeuten lijden aan deze vorm van zelfoverschatting. Psychotherapeuten en coaches blijken vaak goede mensenlezers, maar slecht in het voorspellen van de uitkomsten van hun therapie. Ze hebben geleerd adequaat te reageren op verbale en non-verbale signalen van hun cliënten. Als ze een verkeerde opmerking of onhandig gebaar maken, zien ze het effect daarvan direct terug in het gedrag en gezicht van hun cliënt. Hierom kunnen therapeuten leren om hun cliënten te kalmeren, vertrouwen te geven, of hun aandacht te verleggen. Aan de andere kant zijn er geen duidelijke feedbackmomenten om de langetermijneffecten van hun therapie te testen omdat die karig, vertraagd, onduidelijk of afwezig zijn. Therapeuten kunnen dus wel goed inschatten hoe goed of slecht het met hun cliënten in het moment zelf gaat, maar als zij hierdoor denken dat ze het effect van hun therapie kunnen voorspellen, dan overschatten zij zichzelf. Toch kan die therapeutische zelfoverschatting zelf wel nuttig zijn. Het maakt de therapeut namelijk geloofwaardiger en dat heeft uiteraard een positief effect op de cliënt. Het geeft de cliënt vertrouwen dat hij zijn problemen aankan.

Ondanks dit voordeel, komt het placebo-effect ook met een groot nadeel. Veel cliënten voelen zich beter door de therapie omdat ze meer vertrouwen krijgen in de toekomst, maar dat betekent natuurlijk niet per se dat ze zichzelf nu beter kennen en beter met toekomstige problemen kunnen omgaan. De cliënt krijgt vaak wel de illusie van zelfkennis, maar niet echte zelfkennis. Of zoals scepticus en illusionist James Randi het verwoordt: ‘Jezelf beter voelen, is niet hetzelfde als beter zijn.’

De ongemakkelijke waarheid: voor echte zelfkennis moet je niet rekenen op de deskundige, zeker niet als jij hem betaalt om jou goed te laten voelen. Een therapeut of coach heeft er meer aan om jou gerust te stellen dan eerlijk te zeggen wat hij van jou en je situatie vindt. Voor echte zelfkennis heb je meer aan mensen die er geen baat bij hebben om jou gerust te stellen of te pleasen. En dan is er nog een reden waarom zelfoverschatters zo overtuigend zijn. Zij komen vaak met simplistische oplossingen voor complexe problemen, en dat maakt ze overtuigend. Wij houden allemaal stiekem van eenvoudige, elegante verklaringen: complexiteit en onduidelijkheid verwart onze hersenen. Eenvoudige antwoorden uitgesproken met overtuiging verlichten direct de spanning van de onzekerheid. ‘Gelukkig, hij weet precies hoe het zit.’ Mensen die lang nadenken over de nuances en alternatieven weten blijkbaar niet wat ze te doen staat. En die mensen vertrouwen wij vaak minder.

Juist wat betreft complexe schemergebieden waarover geen duidelijke antwoorden bestaan – zoals ons persoonlijke leven – verlangen we naar duidelijkheid. De paradox is dus: hoe minder we ergens over kunnen weten, hoe meer we zullen vertrouwen op de simplistische en zelfs onzinnige verklaringen van een deskundige. Een lage tolerantie voor onzekerheid en de stelligheid van een charismatische leider is een gevaarlijk huwelijk. We voelen ons daardoor afhankelijk van de waandeskundigheid van een ander, en dat weerhoudt ons ervan om zelf te onderzoeken hoe het zit. Het zet ons op een verkeerd spoor.

Het antwoord op onze gevoeligheid voor waandeskundigen? Een gezonde dosis scepsis.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.