Wat zeggen de woorden die je gebruikt over je?

Veel.

Zo laat onderzoek zien dat woordkeuze verandert als je liegt. Mensen die liegen vermijden vaker woorden die naar zichzelf of naar hun gevoel verwijzen (ik, mij, mijn, mezelf) en ze gebruiken eerder onpersoonlijke taal om zich van de leugen te distantiëren. “I did not have sexual relations with that woman”. Verder gebruiken leugenaars minder woorden, meer ontkenningen, en stellen ze meer tegenvragen. Op die manier worden ze minder snel ontmaskerd.

Psychologen Scherper en Sagarin (2006) onderzochten het effect van vloeken. Een beetje vloeken tijdens je speech helpt om je publiek te beïnvloeden. Zij lieten 88 mensen drie verschillende speeches horen. De eerste speech begon met een scheldwoord: “…lowering of tuition is not only a great idea, but damn it, also the most reasonable one for all parties involved.” Bij speech 2 zat het scheldwoord aan het eind en in de derde speech zat geen scheldwoord. Deelnemers werden het meest beïnvloed door speech 1 en 2.

Kunnen woorden ook gedrag voorspellen?
Het lijkt er wel op. Taalkundigen bestudeerden 100 interviews en quotes van professionele boksers vlak voor ze de ring in gingen. Boksers die positieve of optimistische woorden gebruikten (“Ik heb zin om de ring in te stappen” “Dit is een fantastische arena”) en die aan gezondheid en werk refereerden (“Ik voel me fit, ik ben er klaar voor”) hadden een grotere kans hebben om te winnen. Interessant, al sluit ik niet uit dat dit ook de fitste boksers waren.

Op kantoor is taalgebruik ook veelzeggend. Als werknemers het hebben over “dat”of “het bedrijf”, en aan collega’s refereren als “zij” dan wordt het als directeur tijd om je eens achter je oren te krabben. “Het bedrijf”-organisaties hebben meer ontevreden werknemers en het verloop onder het personeel is er groot. Een beetje roddelen op kantoor is niet per se negatief trouwens.

Taalgebruik beïnvloedt gedrag zonder dat we het in de gaten hebben. De Amerikaanse psycholoog John Bargh (1996) bood zijn proefpersonen woorden aan, waar ze zinnen van moesten maken. Bij sommigen zaten er vooral woorden tussen als ‘assertief’, ‘onbeleefd’ en ‘interrumperen’, bij anderen woorden als ‘geduld’, ‘beleefdheid’ en ‘respecteren’. De proefpersonen moesten zich na de test afmelden bij de proefleider, die druk in gesprek was. Tweederde van de ‘assertieve’ groep onderbrak de gespreksleider. Bij de ‘beleefde’ groep was dat slechts 16%.

In therapie is taal een belangrijk instrument. De ene formulering heeft meer effect dan de andere. Een supervisor leerde mij ooit om “maar” door “en” te vervangen. Zinnen met maar klinken al snel aanvallend. En zo zijn er meer trucjes. “Moeten” vervangen door “willen” is ook een bekende. Voor maar en moeten geldt dat het niet altijd opgaat. "Ik wil de afwas nog doen, nog wat opruimen en daarna de wil ik de administratie doen." Ik krijg het niet geloofwaardig over mijn lippen, maar ach.

Je taal- en woordkeuze bepalen de impact die je op anderen hebt, ze voorspellen je gedrag en last but not least ze beïnvloeden hoe je over jezelf denkt. Door je alleen te richten op wat er niet goed gaat zorg je vooral voor bevestiging dat dat inderdaad zo is. “Ik vind nooit een leuke baan, want bij mij mislukt altijd alles” creëert niet de geschikte voorwaarden voor een leuke of verrassende wending. Woorden als nooit, altijd, alles, niks, geen, kun je sowieso beter schrappen, omdat ze weinig ruimte voor nuances laten.

Veel mensen vinden het aanvankelijk nogal kunstmatig om anders te communiceren dan ze gewend zijn. Eerlijk is eerlijk, toen ik geen maar meer mocht zeggen vond ik dat behoorlijk irritant. Toch is aanpassen van je taalgebruik effectief en vaak een belangrijke eerste stap voor verandering. Positiever taalgebruik en het benadrukken van eigenschappen of gedrag dat jij waardeert kan een wereld van verschil maken. Meer over communicatie vind je hier.

Bargh, J., Chen, M. & Barrows, L. (1996). Automaticity of Social Behavior: Direct Effects of Trait Construct and Stereotype Activation on Action. Journal of Personality and Social Psychology, 71(2), 230-244.

Scherper, C.R., & Sagarin, B.J. (2006) “Indecent influence: The positive effects of obscenity on persuasion” Social Influence, Volume 1, Issue 2 June 2006 , pages 138 – 146

Met dank aan: Eric Barker

Reactie toevoegen

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.